We zeggen het nu al een paar jaar: het Nederlandse wielrennen staat er goed voor! Er is genoeg talent, voor zowel het klassieke als het rondewerk. Maar toch....de resultaten blijven nog steeds uit.
Als we ons willen spiegelen aan onze zuiderburen komen we er behoorlijk bekaaid vanaf. Terwijl de Belgen dit voorjaar, op Milaan - San Remo na, alle grote klassiekers op hun naam schreven, moesten wij het doen met een overwinning in de Omloop Het Niewsblad. En kijken we naar de Tour de France van dit jaar dan is het verschil tussen de twee buurlanden opnieuw pijnlijk duidelijk. Ondanks het uitvallen van podiumkandidaat Jurgen Van den Brouck wisten de Belgen met Jelle Vanendert, Thomas de Gendt en Kevin de Weert op het voorste plan mee te strijden. Nederland moest het na de val van Gesink doen met een degelijke Rob Ruijgh en sterke etappe van Bauke Mollema. De Belgen pakten twee ritzeges, wij wachten als sinds 2005 op een etappezege.
Toch moeten we ons zelf niet de grond in praten. In de breedte doet ons het land het steeds beter. Zo staat Nederland op dit moment zevende op de UCI World Tour Ranking, terwijl we een paar jaar geleden soms niet eens bij de beste 10 landen stonden. Maar sterk zijn in de breedte betekent niet automatisch winnen en om winnen gaat het in het wielrennen. Boom, Langeveld, Tjalingii, Bos, Gesink, Mollema en Kruiswijk doen uitstekend mee maar lijken dat laatste stapje naar de absolute top niet te kunnen zetten. Neem Lars Boom: hij wint de proloog van de Ronde van Oman en de Dauphiné dit jaar, maar kan in de Tour geen potten breken. Bauke Mollema is bergop bijna niet te kloppen in de Ronde van Castilië en Leon en de Ronde van Zwitserland maar redt het niet in de belangrijkste Ronde van het jaar. En over Robert Gesink is misschien wat te negatief gesproken tijdens de Tour, maar feit blijft wel dat hij het op de cruciale momenten steeds laat afweten.
Terwijl wij in de junioren- en beloftencategorie al sinds jaar en dag huishouden stopt te vaak de ontwikkeling in de eerste jaren bij de profs. Een verklaring hiervoor is lastig te vinden. Vaak wordt gewezen op de mondialisering in het wielrennen, die ervoor gezorgd heeft dat Nederland nog slechts een klein wielerland is. Maar hoe komt het dan dat de Belgen daar blijkbaar geen last van hebben? Misschien hebben we gewoon pech en moeten we wachten op een nieuwe lichting die wel de grote prijzen weet te pakken? Dan kunnen we waarschijnlijk nog heel lang wachten, want zo'n lichting hebben we eigenlijk sinds eind jaren '80 niet meer gehad. Of moeten we realistisch zijn en toegeven dat wij niet de juiste sportmentaliteit hebben? Missen we het killersinstinct om op het juiste moment in de koers alles, maar dan ook echt alles, te geven voor die ene overwinning? Kunnen we niet voorbij de pijngrens en zijn we te lief en aardig in de koers?
We kunnen het niet met zekerheid zeggen, maar het zou kunnen...Laten we in ieder geval de komende tijd goed kijken naar onze zuiderburen en wie weet zijn over een paar jaar de rollen eens omgedraaid.
Als we ons willen spiegelen aan onze zuiderburen komen we er behoorlijk bekaaid vanaf. Terwijl de Belgen dit voorjaar, op Milaan - San Remo na, alle grote klassiekers op hun naam schreven, moesten wij het doen met een overwinning in de Omloop Het Niewsblad. En kijken we naar de Tour de France van dit jaar dan is het verschil tussen de twee buurlanden opnieuw pijnlijk duidelijk. Ondanks het uitvallen van podiumkandidaat Jurgen Van den Brouck wisten de Belgen met Jelle Vanendert, Thomas de Gendt en Kevin de Weert op het voorste plan mee te strijden. Nederland moest het na de val van Gesink doen met een degelijke Rob Ruijgh en sterke etappe van Bauke Mollema. De Belgen pakten twee ritzeges, wij wachten als sinds 2005 op een etappezege.
Toch moeten we ons zelf niet de grond in praten. In de breedte doet ons het land het steeds beter. Zo staat Nederland op dit moment zevende op de UCI World Tour Ranking, terwijl we een paar jaar geleden soms niet eens bij de beste 10 landen stonden. Maar sterk zijn in de breedte betekent niet automatisch winnen en om winnen gaat het in het wielrennen. Boom, Langeveld, Tjalingii, Bos, Gesink, Mollema en Kruiswijk doen uitstekend mee maar lijken dat laatste stapje naar de absolute top niet te kunnen zetten. Neem Lars Boom: hij wint de proloog van de Ronde van Oman en de Dauphiné dit jaar, maar kan in de Tour geen potten breken. Bauke Mollema is bergop bijna niet te kloppen in de Ronde van Castilië en Leon en de Ronde van Zwitserland maar redt het niet in de belangrijkste Ronde van het jaar. En over Robert Gesink is misschien wat te negatief gesproken tijdens de Tour, maar feit blijft wel dat hij het op de cruciale momenten steeds laat afweten.
Terwijl wij in de junioren- en beloftencategorie al sinds jaar en dag huishouden stopt te vaak de ontwikkeling in de eerste jaren bij de profs. Een verklaring hiervoor is lastig te vinden. Vaak wordt gewezen op de mondialisering in het wielrennen, die ervoor gezorgd heeft dat Nederland nog slechts een klein wielerland is. Maar hoe komt het dan dat de Belgen daar blijkbaar geen last van hebben? Misschien hebben we gewoon pech en moeten we wachten op een nieuwe lichting die wel de grote prijzen weet te pakken? Dan kunnen we waarschijnlijk nog heel lang wachten, want zo'n lichting hebben we eigenlijk sinds eind jaren '80 niet meer gehad. Of moeten we realistisch zijn en toegeven dat wij niet de juiste sportmentaliteit hebben? Missen we het killersinstinct om op het juiste moment in de koers alles, maar dan ook echt alles, te geven voor die ene overwinning? Kunnen we niet voorbij de pijngrens en zijn we te lief en aardig in de koers?
We kunnen het niet met zekerheid zeggen, maar het zou kunnen...Laten we in ieder geval de komende tijd goed kijken naar onze zuiderburen en wie weet zijn over een paar jaar de rollen eens omgedraaid.
Reacties
Een reactie posten